top  
     
     
 

De onderzeeboot  "Springeren"

 
 

Terug naar de homepage

 
 

Terug naar "Vliegtuigen + schepen"

 
     
   
     
 

De “Springeren” was de laatste onderzeeboot die dienst deed bij de Deense marine. In 2004 besloot het Deense parlement (“Folketing”) dat de onderzeedienst moest worden opgedoekt, alle nog in dienst zijnde onderzeeboten buiten dienst gesteld en de bemanningen naar andere dienstvakken overgeplaatst. Dit politieke besluit betekende het einde van een tijdvak in de marinegeschiedenis, die was begonnen toen in 1909 de eerste Deense onderzeeboot in dienst werd gesteld.

In 2004 bezat de onderzeedienst drie exemplaren van de zogenaamde “Tumleren” klasse, nl. de “Tumleren”, “Sealen” en “Springeren” alsmede de moderne onderzeeboot “Kronborg”, die door Zweden aan Denemarken was uitgeleend. De “Tumleren” werd gesloopt en de Kronborg aan Zweden teruggegeven. Gelukkig kon de “Sealen” gered worden en aan het Marinemuseum overgedragen. Op grond van een verzoek aan het defensie museum  werd de “Springeren” aan het museum Langelandsfort geschonken. Tevens worden drie torpedo’s van de inmiddels ook stilgelegde torpedowerkplaats van de marinebasis in Frederikshavn, bij de onderzeeboot tentoongesteld.

Dankzij financiële steun van Fyns Amt, Sydlangeland Commune, de Deense overheid, de E.U. en enige particuliere sponsoren was het mogelijk de 500 ton zware onderzeeboot van Frederikshavn naar Bagenkop te laten slepen, waar hij met een drijvende kraan op het land werd gehesen en tenslotte naar zijn huidige standplaats op het terrein van het fort kon worden getransporteerd (zie illustraties).

Springeren is een tamelijk oude onderzeeboot. Hij werd in 1964 bij de Rheinstahl-Nordsee Werke in Emden (Duitsland) voor de Noorse Marine gebouwd. Hij behoorde tot de Noorse “Kobben”- klasse, genoemd naar de eerste boot van die klasse (in het Noors betekent Kobben: Zeeleeuw). Van deze klasse werden, met financiële hulp van de Verenigde Staten, vijftien onderzeeboten gebouwd. Een van deze boten werd “Kya” gedoopt. Hij diende tot 1985 bij de Noorse Marine. In dat jaar besloot Denemarken een paar Noorse onderzeeërs te kopen, om de reeds in hun bezit zijnde boten aan te vullen. Eerst werden drie onderzeeërs van de Kobben klasse gekocht. Later werd er nog een vierde boot aangeschaft om voor zijn onderdelen gekannibaliseerd te worden. Met Noorwegen was overeengekomen dat de drie Deense en zes Noorse  boten eerst door een Noorse scheepswerf twee meter zouden worden verlengd en gemoderniseerd. Deze hele operatie duurde tamelijk lang. De eerste Noorse onderzeeboot werd in oktober 1989 aan Denemarken afgeleverd, de laatste in oktober 1991. Deze laatstgenoemde boot, de Kya, werd door vice-admiraal Garde “Springeren” gedoopt.

Maar waarom bezat Denemarken überhaupt onderzeeboten?   Deze speelden tijdens de koude oorlog een zeer belangrijke rol. De beide supermachten hadden grote diepzee onderzeeboten, die van atoomkoppen voorziene raketten konden afvuren. Zij waren belangrijk om het machtevenwicht tussen de supermachten te behouden.

Aan de andere kant waren onderzeeboten ook heel belangrijk voor de in die periode nog zeer uitgebreide spionagewerkzaamheden en voor het vergaren van inlichtingen. De sovjet onderzeeboot, die aan de Zweedse kust strandde, was het positieve bewijs dat de Sovjet Unie zich met het 

verzamelen van inlichtingen bezig hield, zelfs tegen neutrale landen als Zweden. Maar de westelijke machten waren er zeker niet minder in geïnteresseerd er een oogje op te houden wat er in het westen gebeurde.

De  Deense onderzeeboten waren volledig in de NAVO-verdediging van Denemarken geïntegreerd. Hun vredestaak bestond uit het observeren van activiteiten, die buitenlandse vlootverbanden in de Deense territoriale wateren ontplooiden. In oorlogstijd moesten zij naderende vijandelijke vlootverbanden observeren en aanvallen. De Deense onderzeeërs waren klein en derhalve beter geschikt voor operaties in de smallere waterwegen van de Noord- en Oostzee. Omdat een ondergedoken onderzeeboot tenminste 20 meter diepte nodig heeft, kan een grote deel van de Deense zeewateren alleen aan de oppervlakte worden bevaren.

De bemanning van de onderzeeboot bestond uit 24 personen, namelijk 7 officieren, 6 onderofficieren en 11 manschappen. In de midscheeps was de operatiecentrale met toegang tot de toren. Van hieruit werd genavigeerd, gemanoeuvreerd en konden de vuurleiding en de technische installaties zoals radar, sonar en hydrofoon worden bediend. Door een periscoop kon men de bewegingen van schepen aan de oppervlakte observeren. Een snorkel (ook wel snuiver-)systeem maakte het mogelijk zonder aan de oppervlakte te komen de lucht in de boot te ventileren en onder water de dieselmotoren te laten draaien om de accu’s te laden. Tijdens de vaart aan de oppervlakte was de toren altijd door een uitkijk en een navigator bezet. In de boeg van de boot waren de enige wapens die de onderzeeboot, met uitzondering van de handvuurwapens van de bemanning, bezat. De torpedo’s waren van een modern Zweeds type dat zijn doel met behulp van radiografische sturing vond. De laatst gebruikte torpedo’s waren van het type T-613, die door een kabel vanuit de onderzeeboot werden bestuurd.

Achteruit bevinden zich de beide dieselmotoren met een vermogen van 600 PK elk, alsmede een elektromotor met 1700 PK. Laatstgenoemde werd gebruikt tijdens de vaart onder water en werd aangedreven door elektriciteit uit accu’s, die zich onder in de boot bevonden. De accu’s werden door middel van de dieselgeneratoren opgeladen. De onderzeeboot heeft één grote schroef met vijf bladen, die de boot een stabiele en geluidsarme voortstuwing gaf. Aan de oppervlakte voer de boot met een snelheid van slechts 7 tot 8 knopen, terwijl de vaart onder water 17 tot 20 knopen bedroeg. De kruisvaart onder water bedroeg 5 ½ knoop. Met volle dieseltanks had de boot bij onderwater vaart een actieradius van 5000 zeemijlen, dat is de afstand van Denemarken rond IJsland en terug. De boot stuurt met een richtingsroer en duikroeren. Er zijn zowel aan het voorschip als aan het achterschip duikroeren. De Springeren is een enkele romp boot, dwz dat er geen drukschotten zijn. Het enige schot is dat naar de machinekamer. Om onderwater te gaan worden de hoofdtanks gevuld met water. Daarna wordt het met de trimtanks afgetrimd op neutrale vaart. Om weer aan de oppervlakte terug te keren wordt het water met behulp van druklucht uit de tanks geblazen. De maximale duikdiepte bedroeg 600 voet ofwel 186 meter.

Aan boord is één toilet met douche, maar het waterverbruik was tijdens lange vaarten onder water gerantsoeneerd en dat had zijn uitwerking op de bemanning. Onderzeeboot bemanningen hadden bij de marine een unieke reputatie, omdat onderzeeërs, in tegenstelling tot ‘gewone’ oppervlakteschepen, vaak zelfstandig opereerden en omdat het werken op onderzeeboten als iets bijzonders werd gezien. Onderzeeboten waren niets voor gevoelige zielen. De benauwde leefomstandigheden aan boord stelden hoge eisen aan de tolerantie van de bemanningsleden. Het soms wekenlang onderwater varen eiste sterke zenuwen. Iedereen aan boord moest zijn werkzaamheden perfect verrichten, ook in kritieke situaties. Het motto van de musketiers: “één voor allen, allen voor één” gold voor iedereen. Alle opvarenden moesten blindelings op elkaar kunnen vertrouwen, hetgeen onder de bemanningsleden een sterke onderlinge band vormde. Men was er trots op het embleem met de dolfijnen op de borst te dragen, het universele symbool dat zij de onderzeedienst opleiding hadden afgerond.

 
     
 

De “Springeren” nam in de dertien jaren van zijn dienst bij de Deense Marine elk jaar aan verschillende NAVO-oefeningen deel en maakte oefenreizen op de Noord- en Oostzee. In september 2000 maakte hij een duik met Koningin Margarethe en Prins Henrik aan boord. Interessant is het te vermelden dat de Springeren, toen zij nog onder de naam Kya voer, de eerste onderzeeboot ter wereld was die een vrouwelijke commandant had. Natuurlijk was haar naam: “Solveig”!

 
     
 

Technische specificaties van de onderzeeboot “Springeren”

Visueel kenteken: S324; Roepnaam: OUCK ; Tewaterlating op 20 februari 1964. In Denemarken in dienst gesteld op 17 oktober 1991; uit dienst gesteld op 25 november 2004. Gebouwd door de Rheinstahl-Nordseewerke, Duitsland; Waterverplaatsing 370 ton aan de oppervlakte en 435 ton onderwater. Lengte: 47,2 meter, breedte 4,6 meter. Bemanning 24 man. Aandrijving: 2 MTU dieselmotoren van 600 pk elk en 1 Siemens elektromotor van 1700 pk. Actieradius: 5000 zeemijlen (9.260 km). Maximum snelheid: 10 knopen (9,26 km/uur) aan de oppervlakte, 17 knopen (31,26 km/uur) onder water. Bewapening: 8 torpedobuizen (type TP613).

 
     
     
   
     
   
     
 

Klik op een foto om hem te vergroten

 
     
   
     
     
     
     
     
     
     
     
 

Naar de top