top  
     
     
 

RESEARCH

 
 

Terug naar Homepage

 
 

Terug naar Research

 
     
     
     
  Link direkte til SDU, Center for Koldkrigsstudier:  
 

http://www.sdu.dk/Om_SDU/Institutter_centre/C_koldkrig.aspx?sc lang=en

 
     
     
     
  NB. Skønt dette foredrag er af ældre dato, giver det et rammende billede af spionagens sjæl og vi har derfor valgt at bibeholde foredraget i sin helhed.  
     
     
 

Helmut  Mueller-Enbergs 

Gastprofessor bij de Zuid Deense Universiteit 2008/2009
Dinsdag, 24 maart in auditorium 100
 

Geboren in Haltern (Duitsland). Studeerde van 1985 tot 1989 politicologie, sociologie en filosofie in Munster en Berlijn en in  1990-1992 Diplom-Politologie. Was van 1989 tot 1992 wetenschappelijk medewerker bij het „Zentralinstitut für sozialwissenschaftliche Forschung“ bij de vrije universiteit in Berlijn, van 1990 tot 1992 woordvoerder van de fractie van Bündnis ‘90 in het Landsparlement van Brandenburg en wetenschappelijk medewerker in de enquêtecommissie Stolpe. Na 1992 wetenschappelijk medewerker bij de „Bundesbeauftragte für die Unterlagen des Staatssicherheitsdienstes van de voormalige D.D.R. (BStU). HCA-gastresearcher bij het Centrum voor Studie van de Koude Oorlog aan de Zuid Deense Universiteit 2008-2009.

 

 
 

Waarom spionage?

Helmut Müller-Enbergs

 

 
 

Iedereen doet het, iedereen kan het. Soms goed, soms slecht. Vooral dan slecht, als je er bij wordt betrapt. Ik heb het over spionage. Spionage hoort bij ons leven en is even belangrijk als eten, in ieder geval minstens zo belangrijk als een mobiele telefoon. Wij komen hem niet alleen in de cultuur, dus in films en literatuur tegen, maar vooral in het dagelijkse leven, op weg naar de collegezaal en in de collegezaal, dus ook nu. Iemand wordt ervoor betaald om te luisteren naar wat er gezegd wordt.

Want de kern van spionage is: het verzamelen van inlichtingen, vooral die inlichtingen die niemand mag weten, in ieder geval niet iemand die daartoe niet bevoegd is. Voorbeelden? Wie wil niet weten wat het onderwerp van een tentamen is, of welke vragen er in een mondeling examen zullen worden gesteld. Of je vriend of vriendin je werkelijk trouw is. Wij hebben die informatie nodig om er een voordeel uit te slaan. Of om ons te beschermen tegen teleurstellingen of gevaar. Dat klinkt banaal, niet waar?

 
     
 

Bij inlichtingen gaat het om kennis. Die kennis moet actueel zijn. Ze moet ook relevant zijn. Inlichtingen kunnen morgen al irrelevant zijn. Inlichtingen moeten onmiddellijk bruikbaar zijn, ze worden omgezet in beslissingen. Inlichtingen maken het dagelijks leven en onze omgeving berekenbaar. Je kunt berekenen wat er op je afkomt. Als je het zo bekijkt is iedere student een spion voor zijn eigen belang, een studie niets anders dan spionage voor kennis. Spionage verhoogt je kennis, zodat je hem direct of later kunt gebruiken.

Misschien denken sommige van jullie er anders over, maar een studie is toch werkelijk geen geheim, want de daarbij verstrekte informatie is openbaar, voor iedereen toegankelijk. Spionnen interesseren zich echter alleen voor geheime informatie. Spionage is de kunst om ongemerkt aan geheim gehouden informatie te komen. Je ziet nooit aan een echte spion dat hij een spion is. Dat is een kunst die je moet leren.

Hier komen we aan het eerste grote probleem: Hoe lang is een informatie geheim. We kennen in ons dagelijks leven nauwelijks mensen die in staat zijn een geheim lang voor zich te houden. En als je een geheim eenmaal aan iemand anders hebt verteld, kun je op je horloge kijken om te zien hoe lang het duurt voordat het geheim als een gerucht de ronde doet en het tegengestelde wordt van wat het moet zijn: namelijk geen geheim meer. Een geheime informatie is slechts zo lang geheim zolang niemand ervan af weet.

 
     
 

I

Als dus iedereen iedere dag spioneert, om in de maatschappij te kunnen overleven, dan kun je verwachten dat de hele maatschappij dat ook doet. Als één het doet, dan allemaal. Als een maatschappij binnen een duidelijk omschreven territorium een politieke orde heeft of onder een politieke orde leeft, dat weet iedereen, dan heet dat een staat. De bewoners van die staat willen, als ze tevreden zijn met die staat, weten dat hun staat duurzaam is. Ze willen dus hun bestaan veiligstellen en zij zijn bereid daar van alles voor te doen. De staat verzekert zijn existentie door een machtsmonopolie met beroepsambtenaren en een bureaucratie op te bouwen. Dat klinkt nogal hoogdravend, maar het is noodzakelijk, want een staat streeft ernaar om tegen militaire overvallen opgewassen te zijn en niet door anderen economisch overheerst te worden, om zijn geheimen te behoeden en te voorkomen dat derden proberen hem te dwingen zijn systeem tegen zijn wil te wijzigen.

Daartoe moet hij zijn geostrategische positie en de daarmee verbonden risico’s analyseren, maar hij moet ook weten hoe het met de economische, politieke en militaire macht van zijn buurlanden gesteld is, ongeacht of het nu tegenstanders of geallieerden zijn. Ook moet hij weten welke factoren de binnenlandse stabiliteit van zijn staat kunnen verstoren en hoe hij dat risico kan verminderen. Dat geldt zowel in tijden van vrede alsook van oorlog. Want vrede is geen natuurlijke toestand, maar een oorlogstoestand waarin geen schot valt, maar waarin altijd een latente bedreiging van de vrede bestaat. De staat heeft dus altijd informatie nodig, die hij tegenover derden geheim moet proberen te houden. Hij moet er ook naar streven zulke informatie te vergaren. Dat is alleen mogelijk door spionage. Derhalve is hij, om zijn existentie te verzekeren, gedwongen te spioneren. Op die manier overtreedt de staat willens en wetens de wetten van andere landen. Hij houdt er een of meerdere geheime diensten op na, die hij dit privilege toekent. Maar hij bestraft ook diegenen, die ongeoorloofd informatie aan andere staten verstrekken. Zolang er staten zijn, zal ook de functie van inlichtingendiensten blijven bestaan.

 
 

II

Als een staat dan niet zonder spionage kan, kun je toch verwachten dat de kunst van de spionage het onderwerp van een wetenschappelijke studie is. Maar dat is slechts in een paar landen het geval, bijvoorbeeld in Amerika, Engeland en Oostenrijk. Maar ook daar is die studie over spionage niet meer dan een onderzoek naar de geschiedenis van de spionage. Er bestaat geen studie van de spionage of de kunst van spionage zelf, noch in Duitsland, noch in Denemarken. Want de kunst van spionage, haar successen en mislukkingen, zijn geheim omdat de kennis van die informatie andere, vijandige staten een voordeel zou kunnen geven. Voor spionnen houdt bijna iedere staat er speciale scholen op na en de lesstof, die daar wordt geleerd, is geheim, zeer geheim. Men doet er in ieder geval veel voor om die stof zeer geheim te houden. Derhalve zou wetenschappelijke research naar geheime diensten en zeker naar de psychologie van inlichtingendiensten niet mogelijk moeten zijn. En zolang er staten zijn die zich door spionage in hun existentie bedreigd voelen, zal die research ook niet mogelijk kunnen zijn.

Hoe is het dan te verklaren, dat de Zuid Deense Universiteit als eerste in Denemarken een gasthoogleraar juist naar deze vragen, naar vragen over de geschiedenis en psychologie van inlichtingendiensten, laat rechercheren? Wordt Denemarken als staat niet meer bedreigd? Of bevordert de Zuid Deense Universiteit verraad? Natuurlijk doet zij dat niet! Maar zij heeft de tekenen des tijds juist geïnterpreteerd. Zij onderhoudt een instituut over de koude oorlog. De wetenschappers zijn het met elkaar eens dat de koude oorlog, als je het resultaat bekijkt, uitsluitend een oorlog van de inlichtingendiensten geweest is. Als dus de koude oorlog na de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa beëindigd was, dan resulteert daaruit dat de oorlog van de inlichtingendiensten ook beëindigd is. Dat is hij weliswaar niet, maar na het einde van de koude oorlog zijn de methoden, doelstellingen en opdrachten van de inlichtingendiensten gewijzigd. Dat betekent ook dat de methoden, doelstellingen en opdrachten van de koude oorlog niet meer geheim hoeven te worden gehouden. Dat heeft de Zuid Deense Universiteit ingezien en een interdisciplinair centrum voor wetenschappelijk onderzoek opgericht, dat de vakgebieden internationale betrekkingen, hedendaagse geschiedenis en – in zekere mate – psychologie bundelt om wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis en de psychologie van inlichtingendiensten mogelijk te maken: het centrum voor studie van de koude oorlog.

Hier zou ik graag mijn dank tot uitdrukking willen brengen, niet alleen voor de visie van de Zuid Deense universiteit, maar ook omdat jullie hier nog steeds in academische vrijheid geloven en bereid zijn deze te verdedigen – zoals twee jaar geleden bleek tijdens de conferentie over de “Stasi” (Ministerium für Staatssicherheit). Zonder deze mentaliteit is modern wetenschappelijk onderzoek ondenkbaar. Ik dank U ook voor het privilege dat ik daar deel van uit heb mogen maken. Het klimaat van Odense maakt wetenschappelijk onderzoek mogelijk en leidt tot de resultaten die ik U hierna wil presenteren.

 

 
 

III

Tot nu toe hebben wij erover gesproken dat iedereen in zijn eigen belang spioneert en dat de staten laten spioneren. Maar nu moeten we onze aandacht eens op de belangrijkste acteur richten: de spion zelf. Waarom spioneert hij?

Laten we toegeven: We nemen aan dat een spion normaliter voor een financiële vergoeding voor een vijandelijke staat werkt. Hij verraadt, net als Judas, zijn land voor zilverlingen.    En als hij het niet voor een financiële beloning doet, dan omdat hij gechanteerd wordt. Of uit liefde. Deze opvattingen hebben zich in ons collectieve geheugen gevestigd. Je vindt ze ook in de serieuze academische literatuur en in goede romans terug. De nadruk wordt dan gelegd op de gevaren voor de spion, die bereid is grote risico’s te nemen, omdat spionage in de meeste landen met soms levenslange gevangenisstraf wordt bestraft. Maar zijn deze opvattingen juist?

De dossiers van de Stasi, die ons ter beschikking zijn gesteld, maken het mogelijk de motieven van de spionnen empirisch te onderzoeken. Als we dan kijken naar de informatie over die spionnen, die in het buitenland inlichtingen vergaarden, krijgen we een opvallend 

resultaat: tussen de 54 en 68 procent van de Stasi spionnen hadden idealistische motieven. Dat wil zeggen dat zij positief over de vijandige staat dachten, in dit geval dus de DDR.  Economische redenen waren veel minder belangrijk. Zij waren slechts op tussen de 17 en 28 procent van de spionnen van toepassing. Maar er was nóg een andere categorie, die bijna net zo groot was, maar met weer andere motieven: die met persoonlijke affecties, m.a.w: vriendschappen zonder enige politieke dimensie. 12 tot 17 procent van de Stasi spionnen behoorden tot deze categorie. Afpersing speelde een vrijwel te verwaarlozen rol. Slechts 0,3 procent van de spionnen werden “onder druk” aangeworven. Sommigen van hen dachten zelfs dat zij in opdracht van Frankrijk, Amerika of Engeland dan wel een concurrerende dienst spioneerden, maar niet voor de DDR. Hun aantal maakte vier procent uit. Tenslotte was er een groep van zeven procent die vanuit de DDR in het land, waar zij moesten spioneren, werden geïnfiltreerd.

Nu kun je zeggen: Goed, nu weten we meer. We weten dus, dat de meeste Stasi spionnen politiek gemotiveerd waren. Dat is wetenschappelijk gezien een stap vooruit. Maar wat betekent dat nu voor ons? Deze waarneming laat de conclusie toe dat staten met een sterke ideologische, nationalistische en misschien ook religieuze instelling er ook een evenredig aandeel aan ideëel gemotiveerde spionnen op na houden. We kunnen ook op grond van wetenschappelijk onderzoek vaststellen dat er normaliter meer materieel gemotiveerde spionnen worden ontdekt. Overtuigde spionnen gaan in de regel veel gedisciplineerder te werk, zij houden zich veel meer aan de geheimhoudingplicht en de regels van spionage, zij zijn zich meer bewust van de mogelijke consequenties voor het land, waarvoor zij spioneren, als zij ontdekt worden. Ook blijkt dat spionnen met voornamelijk financiële motieven veel minder bereid zijn te presteren dan dat bij ideëel gemotiveerde spionnen het geval is. Ideëel gemotiveerde spionnen zijn bovendien goedkoper, omdat zij zich door hun overtuiging laten leiden.

 

 
 

IV

Wat wordt er gespioneerd? De klassieke spionageterreinen zijn bekend: politieke, militaire en economische spionage en contraspionage. De politieke spionage is bij het publiek het beste bekend. We weten weliswaar ook dat er militaire- en economische spionage bestaat, maar de politieke spionage wordt als de belangrijkste beschouwd. Wat een vergissing!

Met behulp van de Stasi documenten kunnen we dat nauwkeuriger onderzoeken. Daarbij analyseren we de hoofdtaken van de spionnen die werkzaam zijn binnen de inrichtingen die zij moeten bespioneren. Bij sommige worden deze spionnen “interne bronnen” genoemd, bij de Stasi heetten zij “Objectbronnen”. Twee van de vijf spionnen (39%) waren belast met het vergaren van inlichtingen, monsters, patenten en procedures uit de wetenschap en techniek. 19% waren belast met politieke spionage, 8% met militaire spionage en 5% met contraspionage. Dit profiel vinden we niet alleen bij de DDR terug, maar ook bij de andere Oost-Europese landen en de Sovjet Unie. Dat is interessant. Maar wat levert dat ons tegenwoordig op? Er is sprake van een direct verband tussen de belangen van een staat en de opdrachten, die zij haar spionnen geeft. Dus geeft een analyse van de belangen van een staat ons informatie over de opdrachten, die zij aan haar spionnen geeft. Een analyse van de belangen van de staat levert ons een profiel op van waar zij haar spionnen aanwerft of aangeworven heeft. Dus: aan de prioriteiten van een staat kun je van achter je schrijftafel lokaliseren waar zij haar spionnen zal hebben ingezet.

Die informatie moet bruikbaar zijn. Dat is van buiten af moeilijk te beoordelen, omdat het verzamelen van informatie op een puzzel lijkt. Tijdens de koude oorlog kwam de politieke leider van de Sovjet Unie in Duitsland op bezoek. Hij was een man, die als dogmatisch politicus bekend stond. In verband hiermee analyseert een inlichtingendienst de vraag: hoe lang zal hij nog aan de macht blijven? Zijn gezondheid is hiervoor een indicator. Daartoe is het nuttig bepaalde conclusies uit zijn stoelgang te treffen. Je kunt dus zeggen dat een zeer goede inlichtingendienst zelfs uit poep belangrijke inlichtingen kan halen.

Hoe belangrijk een enkele informatie kan zijn, hebben we in de Tweede Wereldoorlog gezien. De Sovjet-Unie moest ervan uitgaan in een tweefronten oorlog door Duitsland en Japan te worden aangevallen. Een spion kon hen de betrouwbare informatie geven dat Japan niet zou aanvallen. Daardoor kon de Sovjet-Unie haar militaire macht geheel op Duitsland concentreren. Die ene informatie was voor de Sovjet-Unie van zo grote waarde dat alle andere spionagekosten, die zij voor soms waardeloze inlichtingen had uitgegeven, daardoor werden goedgemaakt. Dit is een belangrijke reden waarom spionage de goedkoopste manier is oorlog te voeren.

Dat geldt helaas niet in alle gevallen. Amerika moest uit een foute beschrijving van de militaire macht van Irak de conclusie trekken dat slechte of foutieve informatie politiek, economisch en menselijk heel duur te staan kon komen. Maar dat reflecteert eerder op de kwaliteit van de analist bij de inlichtingendienst of op de verantwoordelijke politici dan dat het bruikbaar is als contra-argument tegen spionage. 

 

 
 

V

Hoe vindt men spionnen en hoe werft men ze aan? Toegegeven: wij denken altijd aan top politici, als we aan politieke topspionnen denken. Die bestonden ook, zelfs in Denemarken. Maar een analyse van de Stasi documenten toont aan, dat er bepaalde groepen van personen waren, die veelal als spionnen geworven werden. Dat waren o.a. secretaressen, journalisten en studenten. Functionarissen veranderen regelmatig van functie, maar secretaressen blijven lang op dezelfde werkplek zitten en krijgen zo een uitstekend inzicht in de werkprocessen. Zij zitten steeds in een positie, waar veel inlichtingen worden vergaard en doorgesluisd. De Stasi documenten tonen ook aan dat er maar heel weinig vrouwen waren, die uit liefde spioneerden. Journalisten nemen uit hoofde van hun beroep aan allerlei evenementen deel en winnen op die manier actuele informatie. Studenten maakten deel uit van een lange termijn strategie van de Stasi. Zij werden doorgaans reeds op jonge leeftijd geworven en zorgvuldig op hun toekomstige werk voorbereid. Zij waren meestal al als spionnen opgeleid voordat zij gingen werken.

Meestal vond de Stasi nieuwe spionnen door adviezen van reeds actieve spionnen. Hierbij trad een domino effect op. Slechts uiterst zelden hebben ouders of vaders hun eigen kinderen voor de spionage aangeworven. Het is daarbij opvallend, dat rond 80% van de spionnen niet in hun eigen land werden geworven, maar in de DDR. Deze wetenschap is nu nog van groot belang, want vermoedelijk gaat men nog steeds op de zelfde wijze tewerk.

 

 
 

VI

Een bijzondere groep spionnen zijn de zogenaamde "Übersiedler" (emigranten). Van de Stasi spionnen waren uiteindelijk ongeveer 7 procent vanuit de DDR naar het buitenland “gemigreerd”, soms via Denemarken. Sommigen traden op als vluchtelingen, bij anderen was helemaal niet bemerkbaar dat zij voormalige DDR burgers waren. Deze spionnen werden aan een nieuwe, West-Duitse biografie geholpen, soms zelfs met de identiteit van werkelijk bestaande burgers. In zekere zin bestonden er dan twee verschillende personen met één en dezelfde identiteit. In zulke gevallen probeerde de DDR inlichtingendienst de echte West-Duitse burger naar de DDR te lokken en zich aldaar te laten vestigen, terwijl de valse Duitser in een andere stad met de geleende identiteit verder leefde. Het voorbereiden van zulke spionnen had veel voeten in de aarde en kon jaren duren. Zij moesten niet alleen

de West-Duitse taal leren spreken, maar ook met talloze gewoonten uit het dagelijkse leven vertrouwd worden gemaakt. Dat vereiste natuurlijk zeer veel voorbereidingswerkzaamheden van de DDR inlichtingendienst, maar het was uiteindelijk wel lonend. Deze mensen waren zeer overtuigd van de DDR en perfect op het spionagewerk voorbereid. Het risico voor deze spionnen was zeer groot en de inlichtingendienst moest voortdurend op de hoogte blijven of de spion in gevaar was. Het succes voor de DDR inlichtingendienst is echter meetbaar. In één geval lukte het een spionne jarenlang als secretaresse van de secretaris-generaal van een West-Duitse politieke partij te laten werken, uiteindelijk zelfs als secretaresse van een minister.

Deze spionagestrategie was buitengewoon goed ontwikkeld en de spionnen zelf waren, mits zij geen fouten maakten, praktisch niet te ontmaskeren. In het geval van de bovengenoemde secretaresse was de fout die zij maakte dat zij een vervalste identiteitskaart, samen met nog een andere identiteit in een taxi had laten liggen. Zij brak haar spionageactiviteiten af.

Nu verwacht U natuurlijk tenminste één voorbeeld van een historische casus, het liefste een van de ongeveer 20 Deense Stasi spionnen. Maar er is er niet een die zo complex is als die van Eberhard Lüttich. Lüttich was een spionage officier in de DDR, die zelf spionnen in de Bondsrepubliek Duitsland geleid heeft. Nu moest hij zelf in de huid van een zekere “Hans” kruipen. Toen Hans naar zijn geliefde in de DDR trok, verhuisde Lüttich in de rol van Hans naar Hamburg. Dat was in 1972. Zeven jaar later werd hij daar gearresteerd. Lüttich had zich met het leven in de Bondsrepubliek Duitsland vertrouwd moeten maken, om dan later naar Amerika te verhuizen en daar te spioneren. Lüttich was drie jaar lang op zijn inzet voorbereid. Hij leerde seinen, dode brievenbussen aanleggen, reisde naar Zürich, Hamburg en Engeland. Zo leerde hij de westerse wereld kennen. De zaak had echter een probleem: Lüttich had een academische opleiding, maar zijn nieuwe identiteit kon alleen maar hijskranen bedienen. Zijn eerste opdracht luidde derhalve: opnieuw een academische opleiding volgen; hij studeerde bedrijfseconomie. Een jaar na zijn emigratie, in 1978, nam hij een betrekking aan bij het expeditiebedrijf Schenker – en maakte carrière.

Lüttich verhuisde naar New York. Zijn nieuwe opdracht: hij moest een vrouw leren kennen en met een Amerikaanse, die in een vertrouwelijke functie werkzaam was, trouwen. Vijf jaar na zijn emigratie had hij al een goed inzicht in de militaire transporten van de firma Schenker. Hij was van bureau assistent opgeklommen tot assistent van de vice-president. Hij leerde ook een vrouw kennen maar dat was, uit het oogpunt van de DDR inlichtingendienst, de verkeerde. Hij trouwde met een Cubaanse vluchtelinge en de inlichtingendienst kon hem daar niet van afbrengen. Maar na tien jaar liep de zaak in het honderd: de echte Hans wilde weg uit de DDR en deed daar erg zijn best voor. Maar zijn brieven aan zijn moeder werden door de geheime dienst opgevangen, behalve één. En uitgerekend die brief werd door het Bundesamt für Verfassungsschutz (de West-Duitse contraspionage) gelezen. Die stelden al gauw vast dat er twee Hansen waren – één in Wismar en één in New York. Slechts een van hen kon de ware Hans zijn. Toen Lüttich in 1979 voor zaken naar Hamburg kwam, werd hij gearresteerd. Lüttich bekende en mocht al snel weer naar zijn vrouw in Amerika terugkeren. Daar leefde hij verder onder weer een andere identiteit. Maar had hij werkelijk alles bekend? Tegenwoordig weten wij, uit de Stasi documenten, dat hij dat niet heeft gedaan. De DDR inlichtingendienst werkte met een aantal van hun vroegere spionnen verder. En hoe wist de DDR inlichtingendienst dat hij niet alles verraden had? Een journalist, die tevens DDR spion was, is er in geslaagd inlichtingen uit de processen verbaal van verhoor te bemachtigen.

 

 
 

VII

Hoe nauwkeuriger en langduriger een spion op zijn taak voorbereid werd, des te langer kon hij inlichtingen vergaren. Dat blijkt duidelijk uit de Stasi documenten. Uit de analyse blijkt dat 3% van de DDR spionnen meer dan 30 jaar lang spioneerde, 10% spioneerde langer dan 20 jaar en 24% spioneerde meer dan tien jaar. Dat betekent dat meer dan de helft van de Stasi spionnen langer dan tien jaar actief waren. Dit is buitengewoon interessant, omdat spionnen van de westerse inlichtingendiensten het normaliter veel korter uithielden.

De DDR inlichtingendienst maakte slechts zelden gebruik van vrouwen. Het is werkelijk verbazingwekkend dat slechts 28% van de DDR spionnen vrouwen waren. Als wij de analyse uitsluitend tot de ontmaskerde of veroordeelde spionnen beperken, komen we tot een afwijkend beeld. Onder de tot 1965 ontmaskerde DDR spionnen waren slechts 15% vrouwen (van Bergh) en onder de in de negentiger jaren ontmaskerde spionnen waren 22% vrouwen (Herbstritt). Deze observatie toont aan, dat uit de dossiers van ontmaskerden slechts gedeeltelijk betrouwbare analyses kunnen worden getrokken. Het lijkt empirisch bewezen dat niet de helft van de spionage hemel door vrouwen bewoond is. 

 

 
 

VIII

De vraag: "waarom spionage“ ziet er anders uit wanneer de spion ontmaskerd en veroordeeld is. Het spreekt van zelf dat hij tot een gevangenisstraf veroordeeld wordt. Maar wat betekent dat voor zijn beroepsleven, zijn partner, hun kinderen? Normaliter worden spionnen na het ondergaan van hun gevangenisstraf ontslagen en dan staan zij voor een gapend gat, als ze niet terug willen keren naar het land waarvoor zij gespioneerd hebben. Dikwijls wisten de partners van spionnen niets over de werkelijke aard van hun werk en zijn dan teleurgesteld. Huwelijken slaan op de rotsen. Uit onderzoek blijkt dat de kinderen ook vaak te lijden hadden. Zij werden opgevoed tot goede en loyale burgers van de gemeenschap waarin de spion leefde. Sommige kinderen voelden zich verraden. Voor veel DDR spionnen was hun bestaan geruïneerd: geen werk, geen partner en geen kinderen meer. Door de proceskosten hadden zij hoge schulden. Voor politieke spionnen komt daar nog bij dat zij gedurende hun jaren als agent een bepaalde politieke partij hebben ondersteund, waar zij in werkelijkheid niet achter stonden. In het geval van een DDR spion was hem opgedragen voor een conservatieve partij te werken, terwijl hij innerlijk communistisch ingesteld was.

“Waarom spionage?”, als de staat, waarvoor men gespioneerd heeft, ondergegaan is en het niets opgeleverd heeft. Men moet dan wel een sterke overtuiging hebben om de eigen spionage als zinvol te zien. Daar komt nog bij dat bij de mensen, de maatschappij en de staat, de inlichtingen van spionnen wel graag gezien worden, maar de spion zelf niet.

 

 
 

IX

Niet alleen op dit punt zien we de keerzijde van de spionage. Voor spionnen bestaan er geen ethische maatstaven, zoals die in een maatschappij worden verwacht. De spion leeft steeds in een moreel vacuüm. Zonder twijfel bestaat spionage uit het inwinnen van inlichtingen, met als gevolg dat er een economisch of militair evenwicht moet ontstaan. Wat het resultaat van de Koude Oorlog betreft heeft de oorlog tussen de inlichtingendiensten voor de DDR, Oost Europa en de Sovjet Unie niets opgeleverd. Ondanks al hun kennis konden zij niet bij blijven.

Zoals reeds eerder vermeld was de Koude Oorlog een oorlog, die werd gevoerd door de inlichtingendiensten. Dat betekent dat deze oorlog niet openlijk werd gevoerd, niet alleen via diplomatieke kanalen of politieke schermutselingen. De oorlog tussen de inlichtingendiensten was in zekere zin het vervolg op de politieke, militaire en economische strategieën, maar dan in het verborgene. Er is zeker niet alleen sprake van spionage als defensie van de Staat, maar ook van offensieve spionage, teneinde daardoor de positie van de eigen staat te versterken en die van de andere te verzwakken. Dat kon ook inhouden dat de geheime dienst een offensieve oorlog voorbereidde.

De bedoeling was daarbij steeds, de staat van de tegenstander te ondermijnen en zijn burgers tegen hem in het harnas te jagen. Daarbij werden dan deels echte en deels vervalste inlichtingen gebruikt. Men noemt dat “Disinformatie”. Er worden bijvoorbeeld negatieve inlichtingen over politici in de media gelanceerd, kromme zaken gepubliceerd of andere activiteiten ontplooid om de staat of een politieke partij in diskrediet te brengen. Ook het zaaien van wantrouwen tussen partijen valt hier onder. Het doel is altijd het zelfde: de regering van de tegenstander te verzwakken ten opzichte van de eigen staat. Dat kan op heel veel verschillende manieren: radio- en televisie uitzendingen, pamfletten en tijdschriften die uitgedeeld of ondersteund worden, congressen en boeken. Het hele arsenaal aan publiciteitsmiddelen wordt gebruikt.

Inlichtingendiensten leidden ook voormalige burgers van de tegenstander op tot soldaten of politici, zodat zij op een later tijdstip gebruikt konden worden. De geschiedenis van de inlichtingendiensten toont ons diverse voorbeelden van hoe opstanden werden georganiseerd of politici van hun macht werden ontdaan. Inlichtingendiensten ondersteunen ook staten, die diplomatieke paria’s zijn. Wij kunnen hieruit concluderen, dat inlichtingendiensten en spionnen middelen zijn om politieke druk uit te oefenen. Deze middelen staan los van het politieke systeem. Maar, wat voor generaals en officieren als voor de hand liggend lijkt, kan door de burgermaatschappij worden verworpen. Dat is de reden waarom een aantal Europese landen – inclusief Duitsland – afzien van bepaalde praktijken van inlichtingendiensten.

 

 
 

X

Samenvattend kunnen we stellen dat spionage deel uitmaakt van ons leven en een deel is van de normale gang van zaken van regeringen. Hoewel wij spionnen en spionage als onaangenaam ervaren, beide zijn noodzakelijk. En het is een goedkope manier om oorlog te voeren. Daarom is het bestuderen van inlichtingendiensten en van hun psychologie een absolute noodzaak. Het is de hoogste tijd dat deze studie als een academische discipline wordt beschouwd. Slechts zo kunnen wij de kloof tussen het mysterie en de werkelijkheid van inlichtingendiensten overbruggen.

Het is opvallend dat er bij de bevolking een grote belangstelling voor spionage bestaat. Miljoenen mensen zijn enthousiast over spionageromans en –films, zelfs als zij een beeld schetsen dat niets anders is dan een mythe en met de werkelijkheid niet veel te maken heeft. Maar de werkelijkheid, de grondige, empirische studie van de wereld der inlichtingendiensten is interessant en  biedt veel spanning.

 

 
     
     
 

Naar de top