top  
     
     
  Mijnenveger  
 

Terug naar de homepage

 
 

Terug naar Schepen

 
   
     
     

Mijnenveger "Askø" MHV 81 (voorheen mijnenveger "Askø" MS 2).

     
  Het museum Langelandsfort kreeg de MHV 81 Askø in oktober 2005 cadeau van de “Marinehjemmevǣrnet” (marine landsverdediging), omdat die organisatie het schip voor het nageslacht wilde bewaren: de MHV Askø heeft gewoon een plaats in een museum verdiend.

Deze mijnenveger werd in 1941 voor de Deense Marine gebouwd. In 1965 werd zij aan de “Marinehjemmevǣrnet” overgedragen, waar zij dienst deed totdat zij in 2005 uit dienst werd gesteld. Zodoende heeft dit schip haar land tijdens de koude oorlog gedurende een record aantal jaren gediend.

De Deense Marine besloot vóór de tweede Wereldoorlog een serie zogenaamde ondiepwater mijnenvegers aan te schaffen, teneinde de zes oude, uitgediende torpedoboten, die toen voor dat doel gebruikt werden, te vervangen. Het werd een serie van tien kleine houten mijnenvegers, die gebouwd werden op vier verschillende scheepswerven, namelijk Holbǣk, Frederikssund, Korsør en Svendborg. Alle tien mijnenvegers werden in 1941, gedurende de Duitse bezetting, afgebouwd. Toen de Duitsers in augustus 1943 de Deense strijdkrachten ontwapenden, vielen zij ook de mijnenvegers aan. Twee ervan werden in Holmen (de Deense marinebasis bij Kopenhagen) door de Denen zelf tot zinken gebracht, een derde werd in brand gestoken. Drie andere schepen, de mijnenvegers MS 1, MS 7 en MS 9, die elders in havens lagen, vluchtten naar Zweden. Zij werden na de oorlog gebruikt om de Deense Brigade van Helsingør naar Helsingborg over te zetten. De vlucht naar Zweden van de MS 1, als sleepboot Sara, werd later verwerkt in de film: “Sorte Sara” (Zwarte Sara). De overige vier, waaronder MS 2, die in Kalundborg lag, werden door de Duitsers opgebracht. MS 2 deed gedurende de rest van de oorlog dienst als Duitse “Vorpostenboot” (patrouillevaartuig) Vs 1211. Na de bevrijding in mei 1945 lag MS 2 in  Nyborg en werd door de Deense Marine overgenomen. 

Alle MS boten, met uitzondering van de verbrande MS 4, werden gerepareerd. Als bewapening kregen zij een 20 mm kanon op het achterdek en een mijnenveegtuig.

De nieuwe vaartuigen hadden direct na de oorlog volop werk te doen met het vegen van de vele zeemijnen, die in de Deense territoriale wateren een groot gevaar voor de scheepvaart veroorzaakten. In de eerste instantie moesten zij ervoor zorgen dat de belangrijkste scheepvaartroutes, de zogenaamde hoofdwaterwegen, vrij van mijnen waren.

Het vegen van mijnen gebeurde als volgt: een krachtige elektromagneet werd op een afstand van 70 tot 100 meter achter het schip aangesleept. Tegelijkertijd werden aan beide zijden van het schip pneumatische hamers in een cilindrische container (“Hammerblock tuig”) meegesleept. Het lawaai van de hamer bracht de akoestische mijnen tot ontploffing. Een eenvoudige maar ook effectieve manier om mijnen te vegen was door een kabel tussen twee naast elkaar varende schepen over de zeebodem te slepen.

Vanaf 1951 kregen alle boten van de MS klasse de namen van kleine eilanden, met uitzondering van de “filmster” MS 1, die Zwarte Sara genoemd werd. MS 2 kreeg de naam “Askø”, M 560.

De Askø kon met een snelheid van 11 knopen varen. De MS boten hadden een 250 PK dieselmotor van Møller & Jochumsen of Alpha. Hun bemanning telde 11 koppen. De dienstplichtige matrozen waren meestal vissers, die de Deense wateren kenden en gewend waren op zee te werken. De manschappen woonden in het voorschip, in de midscheeps waren de kombuis, de toiletten en de toegang tot de brug. Het was nauw, maar er was voor iedereen een vaste kooi. De MS schepen hadden de reputatie stabiel te liggen en een stevig zeetje aan te kunnen. Door de smalle vorm van de boeg kwam er veel water over en bij dwars inkomende zee konden ze heel stevig rollen. Met golfslag van achteruit waren ze moeilijk te sturen en door hun geringe diepgang viel het ook niet mee koers te houden. 

In de 50er jaren was het mijnenvegen in de Deense wateren afgesloten en in 1951 werden de MS 1 “Sorte Sara” en MS 2 “Strynø” verkocht. Eigenlijk zouden ook de andere mijnenvegers verkocht worden, maar in plaats daarvan werden zij als schoolschepen geclassificeerd. Van 1960 tot 1965 voer de Askø als schoolschip met nummer Y 386. Daarna werd ze, net als de zeven andere oude mijnenvegers, aan de Marinehjemmevǣrnet, die in 1952 was opgericht, overgedragen. De Marinehjemmevǣrnet moest de Marine bij haar opgaven ondersteunen. Tijdens de koude oorlog moesten zij de Deense vaarwateren. bewaken, de toegang tot havens controleren, bewaken en beveiligen. Verder verrichten zij Search en Rescue taken.

MHV 81 werd onder commando van het Marinehjemmevǣrnet flottielje Noord Funen gesteld en in Odense gestationeerd. Askø bleef 34 jaar in dienst van hetzelfde flottielje 314, dat vanaf 1973 flottielje 241 werd genoemd.  In de Marinehjemmevǣrnet werden schepen voortdurend vervangen en de 34 jaar, die Askø in het zelfde flottielje heeft gediend, zijn beslist een record voor lange en trouwen dienst. De bewoners van Odense waren blij met de MHV 81 en maakten veel reizen met haar, ook naar het buitenland.

 
     
     
   
     
   
     
 

Klik op een foto om hem te vergroten

 
     
 

Er is een tweede Grenå-motor in de hal opgesteld.

 
     
   
     
     
   
     
 

Klik op een foto om hem te vergroten

 
     
 

Bovenstaande foto’s zijn genomen tijdens het opstellen van de motor. Het publiek kan dan zien hoe de motor wordt gestart en hoe hij loopt.

 
     
     
   
     
 

De Ø-Klasse schepen, toen de MHV hen in ontvangst nam. N.B.: achter de schoorsteen staat een 20 mm Oerlikon.

 
     
     
     
     
 

Naar de top